Teeven wil dat het auteursrecht innovatie stimuleert. In zijn brief aan de Kamer onderschrijft hij, dat het een groot probleem is dat er nog te weinig legale en gebruiksvriendelijke alternatieven zijn op het downloaden uit illegale bron. Naar mijn mening moet naast het aanbieden van legale alternatieven een meerwaarde worden gecreëerd tegenover de downloads uit illegale bron. Dat is nu bijvoorbeeld het geval in de filmindustrie door films in 3D te maken. De vraag is of het beleid (en met name de speerpunten) van Teevens innovatie in de branche gaan stimuleren. Je zou zeggen dat het voorgenomen beleid niet opeens tot nieuwe inzichten omtrent meerwaarde, gebruiksgemak en innovatie leidt.
Het downloaden uit evident illegale bron wordt onrechtmatig, maar niet strafbaar. Het door Teeven aangekondigde "afgewogen handhavingskader" (geen handhaving jegens consumenten) gaat echter lijken op het Nederlandse gedoogbeleid ten aanzien van sommige geestverruimende middelen. Uiteraard is er veel voor te zeggen om niet jegens consumenten te handhaven. Ook de handelswijze van BREIN laat zien dat dit niets nieuws onder de zon is. Het is ook logisch gezien de verhaalsmogelijkheden van de faciliterende websites ten aanzien van consumenten. Echter zal het in beginsel aan de rechthebbende(n) zijn om te bepalen jegens wie zij haar verbodsrecht uitoefent. Wat zijn daardoor de praktische consequenties voor een dergelijk handhavingskader voor de consumenten?
Teeven verwijst in zijn brief aan de Kamer dat de uitgangspunten van de uitzondering van artikel 45n Aw op de thuiskopie-exceptie (artikel 16 b/c Aw) moet worden doorgetrokken. Voor games en software geldt al geruime tijd dat het downloaden uit evident illegale bron onrechtmatig is, zonder dat dit tot verzwaring van de handhavingspraktijk heeft geleid. Als artikel 45n Aw ook ten aanzien van muziek en films gaat gelden, dan ontstaat een situatie waarin het kopiëren van een cd in iTunes, MP3 speler of mobiele telefoon, of een kopie voor in de auto in feite al een onrechtmatige handeling is. Is het in die zin niet beter om ten aanzien van games, muziek en films een thuiskopie-exceptie voor consumenten te behouden zonder dat daar een billijke vergoeding tegenover hoeft te staan? Naar mijn mening zou dat beter bij de praktijk aansluiten en duidelijkheid scheppen over de positie van de consument.
Omdat het downloaden uit evident illegale bron onrechtmatig wordt, kan volgens Teeven ook de thuiskopie-exceptie op de schop (inclusief de daarbij behorende billijke vergoeding). Alberdingk Thijm stelt voor de heffing juist uit te breiden op bijvoorbeeld ook laptops et cetera. Visser is van mening dat dit een vrijbrief geeft voor consumenten, omdat iedereen zich gelegitimeerd zou voelen om alles wat los en vast zit te downloaden.
Ik vraag me (gezien de huidige praktijk) af of het "gedogen" jegens consumenten niet sowieso een vrijbrief aan consumenten geeft om alles te downloaden. Hierbij merk ik op dat de huidige "billijke vergoeding" voor de (belevingswereld) van de gemiddelde internet gebruiker totaal irrelevant is. Zeker wat betreft zijn of haar download gedrag. De gemiddelde internet gebruiker voelt zich sowieso in algemene zin gerechtigd om alles te downloaden. Dit vindt mede zijn oorsprong in het gebrek aan meerwaarde van het legale product en het gebrek aan legale voor de consument interessante alternatieven.
Niemand vraagt zich voordat hij of zij een album of film download af of hij genoeg lege cd'tjes heeft gekocht en daarmee de billijke vergoeding van artikel 16 c lid 2 Aw heeft betaald om aanspraak te kunnen maken op de thuiskopie-exceptie. De mindset van de internet gebruiker over het downloaden uit illegale bron moet veranderen. Daarbij draagt het “gedogen” van onrechtmatig downloaden door consumenten niet aan bij.
Teeven geeft voor het wegvallen van de inkomsten uit de heffing op lege dragers als oplossing dat rechthebbenden de vergoeding voor het kopiëren van een thuiskopie in de prijs van het product kunnen verwerken en het kopiëren eventueel technisch kunnen reguleren. Echter, in de huidige "crisis" wat betreft verkoop van bijvoorbeeld fysieke cd's, is dit niet bepaald een marktgerichte en consument vriendelijke oplossing (en uiteindelijke moet de branche het hebben van de consument die zijn producten wil afnemen). Immers staan de prijzen voor cd's al jaren onder druk en kan bij de huidige beveiliging van een cd niemand meer de muziek op zijn pc of MP3-speler zetten. Tenslotte betalen de consumenten die het product legaal kopen voor de inbreukmakende download van de buurman.
Naast de heffing is het voor Teeven van belang dat er makkelijker tegen inbreukfaciliterende websites opgetreden kan worden. Zorgt de invulling van de derde pijler ervoor dat rechthebbenden makkelijker kunnen optreden tegen inbreukfaciliterende websites? Wellicht dat de volgende drie punten hieraan kunnen bijdragen.
Er zijn tal van voorbeelden te geven van rechthebbenden die juist dankzij het illegaal verspreiden van hun werk(en) bestaansrecht hebben opgebouwd en hun inkomsten bijvoorbeeld generen uit andere bronnen van inkomsten zoals het geven van optredens en het verkopen van merchandise. Dit is een complicerende factor bij het begroten van de schade die rechthebbenden hebben geleden. Zeker wanneer een groep rechthebbenden worden vertegenwoordigd.
Ongetwijfeld valt te berekenen hoeveel downloads via een bepaalde evident illegale bron hebben plaatsgevonden, alleen hoe wordt het voordeel (grotere naamsbekendheid, dus hogere gage, meer fans dus meer merchandise verkoop en meer airplay, et cetera) dat rechthebbenden als gevolg van de illegale download genieten verrekend met de geleden schade (ex artikel 6:100 BW)?
De rechter bepaalt immers niet alleen welk voordeel redelijk is om met de schade te verrekenen, maar ook op welke schadeposten het voordeel in mindering dient te komen. De rechter heeft bij de toepassing van het redelijkheidscriterium van artikel 6:100 BW een grote vrijheid. Wellicht een punt om enige discussie op voorhand te vermijden en een principieel standpunt op in te nemen en ten aanzien van artikel 6:100 BW een bepaling in de Auteurswet op te nemen, dat eventueel genoten voordeel uit downloads uit illegale bron, niet voor verrekening in aanmerking komt. De wet stelt in sommige gevallen buiten twijfel dat verrekening wel of niet plaats dient te vinden (zie bijvoorbeeld artikel 6:107a BW). De uitsluiting van verrekening van voordeel met de schade is in die zin geen novum.
Daarnaast zou Teeven om de slagvaardigheid van bijvoorbeeld BREIN te vergoten, een bepaling in de Auteruswet kunnen overwegen waarin stichtingen zoals BREIN, die opkomen voor de belangen van rechthebbenden tegen inbreukfaciliterende websites, specifiek in die gevallen het recht krijgen om een schade vergoeding te eisen, hetgeen nu ingevolge artikel 3:305a lid 3 BW niet mogelijk is.
Omdat het begroten van de schade zeer ingewikkeld kan zijn, kan ten aanzien hiervan in staffelvorm een standaard vergoeding worden opgenomen, zeg maar een standaardvergoeding per download. De begroting van de werkelijke schade zal in veel gevallen moeilijk zijn en een hoge standaardvergoeding kan naast het vergoeden van de geleden schade een afschrikwekkende werking hebben.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten